Op 21 april 2022 kwamen 54 kinderen uit Oekraïne  een tijd naar België om in een pleeggezin te verblijven.  Het werd een missie waarvan we veel geleerd hebben én die ons motiveerde om een nieuw project op te zetten.

De groep werd opgevangen in een vakantiehuis om even samen te zijn in België.  Onze collega’s verzorgden samen met een grote groep vrijwilligers van Koning Kevin en stad Leuven een warme eerste opvang.  De volgende dag kwamen de pleeggezinnen langs, konden kinderen en gezinnen elkaar leren kennen en vertrok elk kind met een gezin naar huis.

Over het algemeen is alles heel goed verlopen met de kinderen, ze konden tot rust komen en hun plekje vinden in het pleeggezin en op school. De kinderen hielden ook contact met hun ouders in Oekraïne.  Tijdens hun verblijf in België gingen we met de hele groep kinderen op kamp, zodat zij ook de kans hadden om met elkaar in contact te blijven.

Kinderen overbrengen uit Oekraïne was uiteraard een grote logistieke operatie, waarvoor alles administratief goed moest geregeld zijn.  Je verhuist niet zomaar een groep kinderen van het ene land naar het andere …  Om dit mogelijk te maken was er een intensieve samenwerking tussen de Belgische en Oekraïense autoriteiten.  En er was Julia, een Oost-Europese in België die alles in gang heeft gezet, als betrokken vrijwilliger.

Later volgde de terugkeer.  Vanaf het begin van de missie was dit de opzet én de verwachting van de Oekraïense autoriteiten.   De terugkeer was een samenwerking tussen Fedasil, IOM en Caritas International.  Caritas Oekraïne stond in contact met alle ouders en deed met hen de inschatting of en wanneer hun kind kon terugkeren en welke ondersteuning zij eventueel thuis nog nodig hadden. Bij het eerste terugkeermoment in augustus konden heel wat kinderen al vertrekken, maar voor anderen was de thuissituatie niet veilig genoeg.   De kinderen die langer zijn gebleven werden verder begeleid door Pleegzorg, hun terugkeer werd later individueel geregeld.

Dit project was voor Minor-Ndako een bijzondere ervaring. Samenwerken tussen landen en met zoveel instanties en overheden was intensief, maar heel leerrijk.  Het project is maar mogelijk geweest dankzij de inzet van heel veel vrijwilligers en vrijwillige tolken!  Het besef dat er zoveel solidariteit mogelijk is, dat veel burgers echt meeleven met kinderen op de vlucht en kinderen uit oorlogsgebied, was en is hartverwarmend.

Als Minor-Ndako leggen we natuurlijk onmiddellijk de link met andere kinderen op de vlucht …  Kinderen opvangen uit alle windstreken, ongeacht afkomst, geloof of ras, dat is de missie van Minor-Ndako.  Hen een warm nest bieden van waaruit zij kunnen verder gaan in het leven.

De humanitaire Oekraïne-missie heeft ons gemotiveerd om iets extra te doen voor al die jonge NBMV’s in grootschalige opvangcentra. Wat kon voor de kinderen uit Oekraïne moet ook lukken voor kinderen uit Afghanistan, Syrië, Somalië, …

Dus zijn we in 2023 gestart met netwerkplaatsingen.  Hierbij gaat ons team aan de slag in de grote opvangcentra van Fedasil waar ook heel jonge vluchtelingen verblijven.  We weten dat het voor jonge kinderen niet aangewezen is om in grootschalige opvang te wonen.  Dus gaat ons team het netwerk verkennen dat jonge vluchtelingen in België al hebben.  Is er familie in België of goede kennissen?  Is dit netwerk veilig genoeg en in staat om het kind op te vangen?  Indien ja, dan begeleiden wij de eerste periode van de opvang in het gezin.  We zorgen dat alles goed geregeld is, dat de pleegplaatsing goed van start kan gaan, dat de ouders van het kind betrokken worden, dat het pleeggezin de nodige ondersteuning krijgt.  Als alles goed loopt, neemt Pleegzorg de begeleiding over.  Dit project is dus mogelijk dankzij een goeie samenwerking met Fedasil en Pleegzorg.



Jonge kinderen hebben nood aan veiligheid, rust en structuur. De aanwezigheid van (te) veel verschillende opvoedingsfiguren is niet goed voor de ontwikkeling op verschillende vlakken (emotioneel, affectief, hechting, …).  Helaas zijn er situaties waarbij kinderen in opvangstructuren of leefgroepen moeten opgevangen worden. Dat kan een goede voorlopige oplossing zijn voor een kind dat in een problematische leefsituatie zit, maar naarmate dit langer duurt, worden de nadelen groter dan de voordelen. De best mogelijke opvang is dus ook de kleinste: een gezin.

In ons land worden niet-begeleide minderjarigen bijna stelselmatig opgevangen in leefgroepen. Dat is niet overal zo. In Nederland bijvoorbeeld worden alle NBM jonger dan 14 jaar opgevangen in pleeggezinnen. Stichting Nidos, de Nederlandse Dienst Voogdij, heeft daarrond een aparte werking. Die zoekt naar opvanggezinnen (inclusief selectie, screening en opleiding) en begeleidt en coacht hen in de opvang van NBM. De insteek is niet dat de gezinnen vervangouders zijn, het zijn professionals van de kleinschalige opvang.

In de jaren voor 2016 gebeurde het heel af en toe dat een niet-begeleide minderjarige terechtkon in een pleeggezin, maar dat waren voornamelijk gezinnen uit de context van de minderjarigen zelf (oom, neef, dorpsgenoten, …). Bij de start van de vluchtelingencrisis in 2015 lanceerde de Vlaamse overheid in overleg met Pleegzorg een campagne ‘geef ze een thuis’. De respons was overweldigend. Daarop volgde een heel traject (infoavond, screening, selectie, opleiding, …) om de gezinnen voor te bereiden en een gelijkaardige screening om uit te maken welke kinderen in aanmerking kwamen voor pleegzorg. Maar toen er eindelijk gematcht kon worden, leidde dit vaak tot niets. Gezinnen waren met de tijd afgehaakt en de kinderen hadden ondertussen ankerpunten (een school, vrienden, hobby’s, …) die ze niet meer wilden verliezen.

Vanuit Minor-Ndako bleven en blijven we ervan overtuigd dat opvang in een gezin de best mogelijke zorg is, voor de ontwikkeling van het kind, voor de (integratie in de) samenleving. Agentschap Opgroeien deelt onze mening (pleegzorg is vele malen goedkoper dan residentiele opvang). Maar dan is een aanpak op maat nodig:

  • Als een gezin zich aandient, kort op de bal spelen, meteen met het gezin aan de slag gaan voor screening en opleiding. Als het te lang duurt vervliegt de motivatie.
  • Opstart van een pleegplaatsing is altijd moeilijk, nabijheid en ondersteuning in die eerste maanden is cruciaal. Opstart van de pleegplaatsing van een NBM is moeilijk tot de zevende macht. Een andere taal en cultuur, allerlei administratieve zaken regelen, de voogd, de verblijfsprocedure, … De begeleiding en ondersteuning in die eerste maanden moeten dus navenant zijn.
  • Het gezin doet een sprong in het diepe, dan moet er ook een tegemoetkoming zijn en de garantie van een terugvaloptie.

Op basis van deze premissen werd in 2016 een experimenteel traject rond ‘directe pleegplaatsingen’ opgezet met de pleegzorgdiensten enerzijds en ons mobiel team Mina anderzijds. Als zich een jong kind aandient, kijkt team Mina of er een pleeggezin beschikbaar is (gescreend, opgeleid, …).  Zo ja, dan volgt er een dubbele plaatsing: in het pleeggezin en een ‘reserveplaats’ in leefgroep Junior.

De pleegplaatsing start met de verhuis van het kind. Team Mina biedt intensieve ondersteuning aan het gezin. Dit kan veel omvatten: apps om communicatie mogelijk te maken, samen bellen naar de familie van het kind, allerlei tips & tricks om tot een goede sfeer te komen, …  De Mina-medewerkers zijn regelmatig aanwezig, helpen bij de administratie (inschrijven bij de gemeente en mutualiteit, …), ondersteunen het contact met de voogd, …  Er is een 24/7 permanentie bij de opstart en wordt verlengd indien nodig. Gedurende drie maanden heeft het gezin de garantie dat wanneer het niet klikt, het kind terechtkan in de reserveplaats bij Junior. Na die periode stopt de intensieve begeleiding door Mina en gaat Pleegzorg alleen door.

In 2023-2024 werden de activiteiten van het Mina-team tijdelijk uitgebreid naar netwerk-pleegplaatsingen (= opvang bij verwanten van het kind), na de vaststelling dat die gezinnen moeilijkheden ondervinden om de basisformaliteiten (inschrijving bij de gemeente en mutualiteit, een school zoeken, …) in orde te brengen. Op enkele maanden tijd groeide dit uit tot 70 begeleidingstrajecten.

Sinds 2016 heeft team Mina 163 pleegplaatsingen ondersteund waarvan een 70tal netwerkplaatsingen en bijna honderd ‘directe pleegplaatsingen’. Dat is een verwezenlijking waar we bijzonder trots op zijn en een goede zaak voor het kind, de samenleving en de jeugdhulp.

De aandacht voor niet-begeleide minderjarige slachtoffers van mensenhandel is een rode draad doorheen het 25-jarig bestaan van Minor-Ndako & Juna. Via stichters, bestuurders werd het ingeschreven in het DNA van ’t Huis en Minor-Ndako. Maar ook in de werking werd het een levend thema.

‘t Huis en enkele jaren later ook Minor-Ndako vangt niet-asielzoekers op. Het gaat om jongeren die onder de radar (willen) blijven. Ook toen al zwierven Maghrebijnse jongeren door Europa, van stad naar stad. Er zijn ‘doortrekkers’: jongeren die aangetroffen zijn in Zeebrugge, onderweg naar het Verenigd Koninkrijk en na overbrenging naar de leefgroep zo snel mogelijk weer willen vertrekken. Maar ook andere situaties: jongeren die clandestien bij familie inwonen of op een andere manier hier overleven, al dan niet onder dwang of met uitbuiting.

In de eerste jaren zijn er enorm veel verdwijningen.  Daardoor realiseren Juna en ’t Huis enorm veel opnames per jaar (’t Huis: 58 in 2000, Minor-Ndako: 72 in 2003).  De aantallen slachtoffers MH die vermeld worden in de eerste jaarverslagen zijn naar de huidige normen hallucinant hoog. (’t Huis in 2004: 41 opnames waarvan 17 vermoedelijk slachtoffer MH).  Het gaat om meisjes die aangetroffen zijn in de prostitutie, jongens en meisjes die in marktkramen werken waar panfluiten, poncho’s en andere Indiaanse artikelen verkocht worden, kinderen die ingezet worden om diefstallen te plegen – een fenomeen dat tot op vandaag actueel blijft.

Voor wie meer wil lezen: in ’t Huis, later Juna, was het gedurende enige tijd gebruikelijk om per opname een korte casusbeschrijving op te nemen in het jaarverslag (zie jaarverslagen  2004 tot 2007 op de website van MN).

Door de ontwikkeling van de hulpverlening aan NBM (voogdij, eerste lijns-opvang in Neder-over-Heembeek, …) worden Juna en Minor-Ndako vanaf 2005 tweede-lijnsdiensten. Het aantal verdwijningen daalt snel.

Afgezien van dringende vragen door de Jeugdrechtbank, moet de voogd om een opname vragen via de procedures van de jeugdhulp. Occasioneel komen er via deze weg nog vermoedelijke slachtoffers, maar dat aantal is een pak lager dan voorheen.  Minor-Ndako en Juna hebben kennis en know how rond het thema en werken mee aan de vormingen rond mensenhandel onder meer voor Fedasil-medewerkers.

Maar geleidelijk aan …  Aangezien weglopers de uitzondering zijn in de leefgroepen verschuiven de regels om verdwijning te voorkomen naar de achtergrond. Ze ontwikkelen zich tot open centra, waar bewoners in en uit kunnen gaan en toegang hebben tot GSM, internet en sociale media. Dat maakt hen ook minder geschikt om opvang te bieden aan slachtoffers die veiligheid en bescherming nodig hebben.

Door dit alles verschuift het thema mensenhandel in de praktijk naar de achtergrond.  Als er nog instroom is van vermoedelijke slachtoffers, dan is dat via crisisopnames.  Helaas stellen we vast dat ook bij de gespecialiseerde centra en in de statistieken van Dienst Vreemdelingenzaken het aantal minderjarige slachtoffers daalt. Is dat door de efficiëntie van het beleid? Of daalt het bewustzijn rond of de aandacht voor de problematiek?

In het jaarverslag van 2014 staat dit signaal:

Bij die crisisopvang zagen we dingen die ons de wenkbrauwen deden fronsen: procedures rond signalering van kwetsbare minderjarigen worden niet gevolgd; kinderen die worden aangetroffen bij onderzoek naar mensensmokkel via de luchthaven, worden vervolgens opgevangen in open structuren en in vrijwillige opvang waar ieder die dat zou willen hen kan komen ophalen; de eerste lijnshulp (crisisnetwerken Vlaamse Gemeenschap) is sinds lang niet meer geïnformeerd en gesensibiliseerd;… Heel vaak is er gewoon geen gerechtelijk onderzoek naar mogelijke feiten van mensenhandel en worden jonge kinderen gezien als daders en niet als mogelijke slachtoffers.

Om gepaste opvang en bescherming te kunnen bieden aan minderjarige slachtoffers van mensenhandel is het cruciaal om heel zorgvuldig om te springen met die potentiële slachtoffers. Voor de detectie, opvang en begeleiding van die kwetsbare groep is een ketenaanpak nodig. De schakels zijn er vandaag al, maar ze vormen samen geen ketting. Er is een gebrek aan samenhang en samenwerking. We hebben een nieuw elan nodig, met afspraken tussen alle betrokken diensten, vorming en sensibilisering op de eerste lijn en afstemming tussen de federale overheid en de Gemeenschappen. Het moet onze ambitie zijn om ook voor deze kinderen en jongeren een modelaanpak te ontwikkelen.

In de jaren die volgen blijft dit een thema en een bezorgdheid.  Onze gewone leefgroepen zijn niet meer geschikt om slachtoffers van mensenhandel op te vangen. Enkel de Franse Gemeenschap heeft nog een veilige opvangfaciliteit. Ook daar is niet altijd plaats door de verruiming naar slachtoffers van eer-gerelateerd geweld. Als we willen dat er meer aandacht komt voor mensenhandel en minderjarige slachtoffers, dan is er ook in de Vlaamse Gemeenschap opvang nodig.

De problematiek van tienerpooiers doet het besef groeien dat er nood is aan veilige opvang voor de slachtoffers van seksuele uitbuiting. In het zog hiervan krijgen we de kans onze eigen veilige opvang voor NBM-slachtoffers van mensenhandel, te ontwikkelen.  Met de opstart van Meza knopen we weer aan bij onze oorsprong.

Het is belangrijk af en toe in de spiegel te kijken en na te gaan of we nog altijd waarvoor we willen staan.

Missie

Minor-Ndako & Juna richt zich tot kinderen en jongeren die zich in een problematische leefsituatie bevinden. We richten ons hierbij in het bijzonder tot de meest kwetsbaren onder hen.

Vandaar de inzet voor de jongste NBM, voor minderjarige slachtoffers van mensenhandel
– ook toen die voor het beleid van de radar waren verdwenen –
of de deelname aan PASO, een dagkliniek voor NBM met psychische problemen

Minor-Ndako & Juna ziet het als haar opdracht om inclusie te realiseren en ervoor te zorgen dat kinderen en jongeren niet uitgesloten worden van de maatschappelijke structuren.

Hoe kleinschaliger de opvang, hoe beter voor het kind. De beste opvang is dus in een gezin. Vroeger was er af en toe een kind of jongere die naar een pleeggezin kon gaan.  Met de grote aantallen jonge NBM in 2015 werd dit urgent. Een ander kind opnemen in je gezin is een hele uitdaging. Een andere taal, cultuur, … maakt het alleen maar moeilijker. Om dat een kans van slagen te geven is intensieve ondersteuning nodig in de eerste dagen en weken. Door die ondersteuning te bieden in de opstartfase, steeg het aantal NBM in pleegzorg.

Minor-Ndako & Juna wil ondersteunen, blijvend kansen geven en werken naar een hulpverleningsperspectief.

Een deel van de jongeren eindigt zonder wettig verblijf, dat is onvermijdelijk. Maar hoe ga je daarmee om? Wat kunnen we dan nog bieden? In 2010 beginnen we met een denkoefening die uitmondt in een visietekst ‘begeleiding bij precair verblijf’. We kunnen de jongere geen perspectief bieden, wel samen uitzoeken wat de opties zijn en de voor- en nadelen ervan.

In een wervelende samenleving wil Minor-Ndako & Juna jongeren uit alle windstreken weerbaar en sterker maken voor de toekomst.

In 2006 komen Brusselse Jeugdzorgdiensten op bezoek…
“Er zijn zo veel dingen die het moeilijk maken, andere talen, culturen, al die statuten, en toch bieden jullie goeie hulpverlening. Dat hebben we nodig ook voor kinderen en gezinnen in Brussel.”
Dus beginnen we aan een nieuwe uitdaging, met kinderen en gezinnen uit Brussel en de rand.
De kennis en ervaring uit het werken met NBM komt goed van pas, maar we leren ook veel nieuwe zaken, zoals het belang van ouders, zelfs als er erge dingen gebeurd zijn,
of het missen van familie, dat zo’n pijn doet dat het niet uitgesproken kan worden.

Wij bieden ze onderdak, zorg en begeleiding. Wij willen dat Minor-Ndako & Juna een warm nest is voor hen waar ze energie opdoen en kracht vinden om verder te gaan in het leven.

Zorgen dat broers en zussen die verspreid zitten over verschillende voorzieningen contact kunnen houden, documenten opvragen in het buitenland zodat de nationaliteit van een kind kan worden vastgesteld, een regeling uitwerken waardoor moslims de Ramadan kunnen beleven in de opvang, sportactiviteiten, een woonproject waar studenten en nieuwkomers samenwonen, steunfiguren, …   

Minor-Ndako & Juna sensibiliseert de samenleving en adviseert de overheid en het werkveld.

Neem nu die ‘begeleiding bij precair verblijf’.
Dat begon als een intern document en is ondertussen gedeeld met collega-voorzieningen.
En andere nota’s vb. rond ‘geld overmaken naar het buitenland’,
het ‘voorkomen van ondoordacht vertrek’, …
Of overleg rond de Brusselse crisisopvang of met Agentschap Opgroeien,
werkgroepen met Fedasil, ….

We zetten initiatieven op om het beleid waar nodig in positieve zin bij te sturen. We geven kinderen en jongeren een stem.

Het principe van ‘eenheid van gezin’ staat ingeschreven in het Mensen- en Kinderrechtenverdrag.
Het staat ook ingeschreven in de Vreemdelingenwet bv. als duurzame oplossing voor kinderen die verondersteld worden terug te kunnen naar het herkomstland.
Maar de eerste vraag naar Gezinshereniging kwam voor Minor-Ndako pas in 2011.
Sindsdien is dat aantal jaar na jaar gegroeid. Helaas zijn de complexiteit van de dossiers en de bestuurlijke tegenwerking evenredig gegroeid. Het kost ons veel bloed, zweet en tranen om de kinderen en jongeren daarin te helpen, maar we zetten door.
Het is hun recht als kind, als mens.

Een klein zinnetje in een document van de bedrijfsgeneeskundige dienst: medewerksters die zwanger zijn moeten onmiddellijk werk-verwijderd worden.

Waarom? Omdat de vaccinatiestatus van de jongeren die jullie opvangen niet gekend is.  Is er dan ook geen risico voor andere jongeren, klasgenoten, medewerk(st)ers die niet gevaccineerd zijn?

We nemen het op met Dr. Ann Roex, de huisarts, en besluiten samen om zelf een vaccinatieprogramma op te zetten.  Er komt heel wat bij kijken: een vaccinatieschema maken, de vaccins bestellen en opslaan, het akkoord van de voogd vragen, de jongeren overtuigen, opletten dat de jongeren niet ‘toevallig’ net buiten gaan voetballen, …

Een jaar later is de evaluatie negatief. Er kruipt veel tijd en moeite in en de resultaten zijn niet bevredigend. Door het verloop in de leefgroep stromen jongeren uit voor ze volledig gevaccineerd zijn, in hun plaats komen nieuwe jongeren die moeten starten met de eerste prik.  Wel handig is dat de vaccinatiestatus traceerbaar is door de registratie in vaccinnet.

We blijven overtuigd van de noodzaak van inhaalvaccinatie, maken een afspraak met Dr. Mak van Agentschap Zorg en Gezondheid van de Vlaamse Gemeenschap om onze bezorgdheid uit te leggen en krijgen gehoor.   De (opvolging van de) inhaalvaccinaties van jonge nieuwkomers wordt een opdracht voor de CLBs en begint bij het OKAN-onderwijs.

 

Wat begon met een vraag – “Kunnen jullie ook een werking opzetten voor jonge kinderen in Brussel?” – werd een nieuw hoofdstuk in het verhaal van Minor-Ndako. In 2007 openden we leefgroep Benjamin, in 2009 volgde Koala. Daarmee creëerden we extra opvangplaatsen voor jonge kinderen van 0 tot 12 jaar in Brussel.  We brachten onze opgebouwde ervaring in leefgroepwerking en in cultuursensitief werken naar een -voor ons- nieuwe doelgroep.

Al snel werd duidelijk: werken met jonge kinderen betekent ook werken met ouders. Pas vanaf 2012 konden we hier écht voluit op inzetten met de opstart van Jacana, ons team voor contextbegeleiding. Vandaag zijn ouders een evident deel van het verhaal. Ze zijn aanwezig, worden betrokken op de werking en ondersteund om opnieuw ouder te kunnen zijn.

Toch is het nooit verworven.  Het is en blijft zoeken. Want elk kind is anders. Elk gezin is anders. Elk team is anders.  Relaties en vertrouwen bouw je telkens opnieuw op. En net dat is de kern van wat we doen.

Sinds 2021 zetten we nog sterker in op het gezinsperspectief: met Partners in Parenting en met het actief werven van steun- en pleeggezinnen. Tegelijk investeren we in de kracht van de leefgroep zelf: met vorming rond geweldloos verzet, herstelgericht werken en democratisch opvoeden. Door snel wisselende teams (een gekend fenomeen in de sector waar wij helaas ook niet aan ontkomen) is dit een stevige uitdaging.  Maar we vinden het noodzakelijk.

Daarom kiezen we ook bewust voor een gedeeld leiderschap in de leefgroep: met een teamverantwoordelijke én een trajectverantwoordelijke. Zo houden we tegelijk de focus op een warm leefklimaat én op het toekomstperspectief van elk kind.

Waar we vandaag van dromen?

  • Van een CANO voor jonge kinderen – een plek waar we écht op maat kunnen werken. Waar we flexibel kunnen schakelen tussen vormen van zorg: intensieve thuisbegeleiding, gezinshuis, ouders in de leefgroep, Partners in Parenting, …
  • Een werking die vertrekt van de vraag van het kind én van de kracht van het gezin.
  • Een plek waar elk kind mag thuiskomen.