Het recht op gezins- en familieleven is verankerd in verschillende verdragen en wetteksten[1]. Artikel 9 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind bevestigt het recht van het kind om met zijn of haar ouders samen te leven, tenzij geoordeeld wordt in overeenstemming met de toepasselijke procedures dat dit onverenigbaar is met zijn of haar belang.
Dat artikel 9 is één van de grondbeginselen van de jeugdhulpverlening. Het geeft ons de opdracht om gezinnen waar zich opvoedingsproblemen voordoen, te ondersteunen om een plaatsing te voorkomen en wanneer er toch een plaatsing is, het gezin te begeleiden om een terugkeer mogelijk te maken. Het is een opdracht waar de collega’s van Jacana, Koala en Benjamin, van 1Gezin1Plan en alle voorzieningen zich dagelijks voor inzetten.
Bij Minor-Ndako zijn we er van overtuigd dat wanneer opvang bij de ouders niet mogelijk is, de tweede beste optie óók opvang in een gezin is. Opvang in een leefgroep is soms nodig en onvermijdelijk, maar op langere termijn heeft collectieve opvang nadelige effecten op de ontwikkeling van de minderjarige. Hoe kleiner de opvangeenheid, hoe beter. En de kleinste opvangeenheid is een gezin. We zijn voorstander van pleegzorg en van hybride werkvormen als Partners in Parenting, Gezinshuizen en steunfiguren.
Uit dat artikel 9 van het Kinderrechtenverdrag volgt ook dat wanneer een kind zonder zijn ouders wordt aangetroffen, de overheid alles in het werk moet stellen om het kind te herenigen met de ouders en in afwachting daarvan opvang en bescherming te bieden.
Moeten we niet-begeleide minderjarigen dan herenigen met hun ouders in het herkomstland?
Als we de bepalingen de verdragen en de rechtspraak samenleggen, komen we tot deze algemene regels rond het herenigen van het kind met de ouders in het herkomstland:
- Een minderjarige mag je niet opsluiten, (tenzij in geval van een misdrijf ),
- Terugbrenging naar het herkomstland van een minderjarige kan alleen wanneer er waarborgen zijn voor de veiligheid en voor de opvang en passende zorg.
- Ook dan mag er bij het terugbrengen geen dwang gebuikt worden.
De meeste NBM vragen bij aankomst asiel aan. Dat is – kort door de bocht – een onderzoek naar de veiligheid (individueel en collectief) in het herkomstland. Als het daar niet veilig is dan is terugbrenging niet mogelijk. In tweede instantie (of als er geen asielaanvraag is) kan onderzocht worden of er voldoende garanties zijn voor de opvang en zorg voor de minderjarige bij terugkeer.
In afwachting van de uitkomst van die onderzoeken moeten we opvang en bescherming bieden voor de minderjarige. Dat is de opdracht van de voogden, van alle organisaties en diensten die betrokken zijn bij de opvang van niet-begeleide minderjarigen.
Wanneer de minderjarige een Beschermingsstatus krijgt, is het recht van het kind om met zijn of haar ouders samen te leven wel terug aan de orde. Het herkomstland is niet veilig dus is hereniging daar niet mogelijk, maar het gezin kan wel naar hier komen.
Gezinshereniging is een recht dat bij wet geregeld is. Maar het is een lastige procedure. Er zijn voortdurend hindernissen (een geboortebewijs en andere documenten aanvragen in een land zonder bevolkingsregister, de aanvraag moet ingediend worden bij een agentschap in een buurland, duizenden kilometers verderop), het kost handenvol geld (documenten; vervoer; verblijf in een buurland, weken wachten op een afspraak om een visum aan te vragen; DNA-test, …) en de duur en de afloop van de procedure is onzeker. Na elk tussentijds succesje volgt opnieuw een koude douche. Als het gezin uiteindelijk groen licht krijgt, komen er nieuwe kosten (de vlucht, ..) en andere hindernissen (een huis vinden!). De procedure zou veel eenvoudiger en goedkoper zijn als ze bv online kon ingediend worden. Maar de overheid staat dat enkel toe als een rechter het oplegt.
Voor de minderjarige en het gezin is de procedure een stresserende rollercoaster, van hoop naar wanhoop, van blijdschap naar teleurstelling. Ook voor de voogd en begeleiders van de minderjarige is dit een slopend traject. Je ziet de jongere lijden onder de spanning, de frustratie bij de familie. Je deelt in de vreugde en de pijn. In principe is gezinshereniging een recht, maar in de praktijk lijkt het vooral een gevecht tegen een onwillige bureaucratie. De zorgen zijn ook niet over als het gezin hier is. Ze kregen wel een inreisvisum maar bestaan niet voor de overheid tot ze een domicilie hebben. Ze worden administratief geghost tot ze een woning hebben gevonden (heel moeilijk zonder identiteitsdocument en recht op steun).
Maar … moeilijk gaat ook. In 2024 hebben we een telling gedaan van de lopende gezinsherenigingsdossiers in de eerste 5 maanden van het jaar. Over heel Minor-Ndako waren dat er 46. Het voordeel van zo’n aantal is dat je binnen de organisatie kennis en knowhow kan opbouwen en delen.
We zien kinderen en jongeren die hun ouders, broers en zusjes missen. Die zich verantwoordelijk voelen voor hun familie en des te meer als het slecht gaat in het thuisland. Die wakker liggen van de dingen die ze niet kunnen of durven zeggen. Die euforisch zijn als er uiteindelijk toch een visum wordt afgeleverd. Die lachend en huilend hun papa, mama, broers en zusjes in de armen vallen.
Artikel 9 IVRK heeft het bij het rechte eind. Gezinshereniging moet een recht blijven.
[1] Onder meer de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag voor Burgerlijke en Politieke Rechten, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Handvest voor de Grondrechten van de Europese Unie bevestigen het belang van het respect voor het gezinsleven. Ook artikel 13 van het Decreet Rechtspositie van Minderjarigen in de Jeugdhulp, zegt dat het kind het recht heeft .


