2004 – The new kid in town: de voogd

Een minderjarige kan in ons rechtssysteem geen rechtshandelingen stellen. Daarom heeft een minderjarige die alleen wordt aangetroffen, zonder ouders of wettige voogd, iemand nodig die de minderjarige vertegenwoordigt in rechte en zijn of haar belang verdedigt.

Door de ratificatie van het Kinderrechtenverdrag is België verplicht om een voogdijsysteem uit te werken maar allerlei factoren maken dat dit op de lange baan geschoven wordt. Tot de zaak Tabitha in 2002 de kwestie urgent maakt.

Als er geen voogd is, dan zijn het medewerkers van de opvang (federaal of jeugdhulp) die de jongere vertegenwoordigen in rechtshandelingen. Ze geven info over verblijfsprocedures, vergezellen de jongere bij de bevoegde diensten, vragen vervolghulp, …  Het roept de vraag op hoe opvangmedewerkers het belang van de jongere neutraal kunnen verdedigen als ze zo dicht verweven zijn met hun dagelijks leven.

’t Huis en Minor-Ndako hebben elk een jurist in dienst om deze zaken (mee) op te volgen (maar die staan ook heel dicht bij die jongeren).

In 2004 is het eindelijk zo ver. De oprichting van dienst Voogdij, de werving van voogden, de eerste toewijzingen …

Dit leidt tot volgende commentaren

(Jaarverslag Minor-Ndako 2004)

Sinds de voogdij haar intrede deed, heeft elke buitenlandse niet-begeleide minderjarige recht op een voogd die de jongere volgt van bij zijn eerste contact met de overheid tot wanneer hij het land verlaat of meerderjarig wordt. De voogd staat de jongere bij in alle juridische handelingen en heeft een superviserende rol bij het begeleidingswerk.

Het was me wat die eerste maanden, met de implementatie van die regelgeving. Er werden onvoldoende voogden gevonden. Een tijdje kregen we zelfs geen nieuwe jongeren aangemeld omwille van het gebrek aan voogden.

Voogden werkten vaak op een eigenzinnige manier. De ene voogd kwam wekelijks langs terwijl de andere op cruciale momenten nergens te bespeuren viel. Ik hoef je wellicht niet te vertellen dat dit voor de jongeren heel verwarrend werkte.

De afstemming van de taken tussen begeleiders en voogden liep evenmin van een leien dakje. Er werd dubbel werk geleverd terwijl andere juridische of administratieve stappen niet werden opgenomen. Het wekte wrevel bij de begeleiders die vroeger zeer secuur omgingen met de procedure en het gevoel hadden in te boeten aan kwaliteit van dienstverlening.

Wrevel en frustratie dus. Elders in het jaarverslag staat ook dat slechts 14 van de 27 NBM dat jaar een voogd hadden gekregen. Maar geleidelijk aan groeit een praktijk bij de voogden zelf, samenwerkingsafspraken tussen de betrokken diensten, vooral de laatste jaren, de ondersteuning vanuit Dienst Voogdij.  De verschillen tussen voogden blijven, maar daar zit ook een rijkdom in. Sommigen zijn vertrouwd met de wereld van de jeugdpsychiatrie of kunnen doorheen het druggebruik en moeilijk gedrag het gekwetste kind blijven zien.

Dat de voogd onmisbaar is geworden, werd duidelijk in 2022. Door de oorlog in Oekraïne komt een vluchtelingenstroom op gang waaronder heel wat niet-begeleide minderjarigen. Dit leidt tot een tekort aan voogden. De jongeren die geen voogd hebben voelen dit op verschillende manieren: geen vertegenwoordiger in rechte waardoor de verblijfsprocedure niet kan opgestart worden, geen toegang tot Groeipakket of ziekteverzekering, geen bankrekening, geen persoonlijke aandacht en opvolging, …

Vandaag zijn de voogd en Dienst Voogdij een onmisbare schakel in de opvang en bescherming van niet-begeleide minderjarigen.