1995 – evoluties in de opvang van vluchtelingen

De bevoegdheidsstrijd: AMA’s versus NBM

Ergens in de jaren ’90 is beslist dat het federale niveau verantwoordelijk is voor de opvang van asielzoekers, met inbegrip van minderjarigen, de AMA (alleenstaande minderjarige asielzoeker). Dus zijn de gemeenschappen bevoegd voor niet-asielzoekers? De Vlaamse en Franse Gemeenschap verzetten zich tegen een generiek aanbod voor NBM (niet-begeleide minderjarigen) naargelang het statuut. Bijzondere Jeugdzorg is er voor kinderen en jongeren met bijzonder zorgnoden.

Het eerste opvangcentrum dat AMA’s opvangt is het Klein Kasteeltje, daarna volgen ook andere OC met een afdeling voor NBM: Kapellen, Sint-Truiden, Florennes, …

Rond die groep AMA’s (asielzoekers) ontwikkelt zich een aanvullend hulpaanbod:

  • Het eerste private initiatief is Mentor– Zakenman François Casier ontmoet een jongere die in het Klein Kasteeltje verblijft. Hij is getroffen door de situatie en de uitdagingen die het meebrengt om een alleenstaande minderjarige te zijn. Hij ondersteunt een aantal jongeren en start in 1993 een initiatief Mentor, peterschap voor AMA’s. Later werkt Mentor samen met een dienst die woonbegeleiding aanbiedt, Escale.
  • Vanaf 1999 reserveert vzw Joba, een dienst begeleid wonen in Antwerpen, een aantal plaatsen voor alleenstaande jonge vluchtelingen. Ze beginnen met 6 plaatsen maar al gauw wordt dat aantal opgetrokken naar 16. Vanaf 2003 wordt Joba Vluchtelingenwerking een aparte afdeling van de vereniging.

In 2000-’01 is er een opvangcrisis. Om plaats te maken in de centra komen er LOI’s (lokaal opvanginitiatief) bij de OCMWs.  De LOI-financiering wordt ook gebruikt voor de opening van centra voor AMA’s: De Lier en De Bilck bij Ons Tehuis in Ieper en het Centre MENA van het OCMW van Assesse. Dit zijn speciale projecten. Later volgen er ‘gewone’ LOI met een aangepast programma voor NBM met internationale of subsidiaire bescherming, vanaf 16j.

De opvang van NBM (niet-asielzoekers) komt veel trager op gang.  In 1999 start ’t Huis in Aalst, met opvang van NBM niet-asielzoekers, in het kader van Jeugdzorg.  Wellicht leidt de opvangcrisis van de volgende jaren tot meer goodwill bij de Gemeenschappen, want in 2002 komen er 3 jeugdzorgcentra bij: El Paso in Gembloux, Esperanto MENA (enkel NBM vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel) en Minor-Ndako in Brussel.

  • In de omzendbrief WEL 99/06 stelt de Vlaamse minister van Welzijn dat de Bijzondere Jeugdzorg bevoegd is om NBM op te vangen die geen asiel aanvragen in geval er sprake is van een POS (problematische opvoedingssituatie).

Tot 2004 blijven de werelden van AMA’s en NBM nog behoorlijk gescheiden.  Kort na de opstart van de voogdij opent het OOC (onthaal- en opvangcentrum) van Neder-over-Heembeek.  Hieruit groeit het 3-fasensysteem dat tot op vandaag gangbaar is: na een 1,5 maand in het OOC volgt de aanduiding van de voogd en wordt de jongere toegewezen aan een 2de fase centrum. Alle NBM passeren langs de OOC, zelfs al zijn zij niet-asielzoeker.

  • De Dienstnota 2006-1 herbevestigt dat de Bijzondere Jeugdzorg bevoegd is voor de opvang van NBM die geen asiel aanvragen. Maar wanneer er sprake is van een POS kan een AMA ook in aanmerking komen voor Jeugdhulp. Uitstroom naar niet-categoriale jeugdhulp kan voor zover dit verantwoord kan worden (POS). Na kritiek volgt Dienstnota 2006-2 die de rol en bevoegdheid van de voogd in het traject van de minderjarige erkent.

In de praktijk zitten er veel AMA’s in de Vlaamse Jeugdhulp. Wanneer is een situatie een POS?  Als een kind hier zonder ouders is, is dat niet sowieso een problematische opvoedingssituatie?  Is een kind van 10j dat asiel aanvraagt, een ‘asielzoeker’ of een kind dat kleinschalige hulp nodig heeft?  Moet een jongere die een negatief antwoord heeft gekregen op asiel, verhuizen naar een voorziening van de jeugdhulp? Ook jongeren die feiten hebben gepleegd (asielzoeker of andere) komen via de jeugdrechtbank in de jeugdhulp terecht. In de hulpverlening groeit de gedachte dat niet het statuut maar de hulpnood of kwetsbaarheid moet bepalen wie kleinschalige opvang krijgt.

In 2009 – ’10 is er opnieuw een opvangcrisis. De centra zitten vol, noodgedwongen worden NBM ondergebracht in hotels. Het lijkt van buitenaf misschien anders, maar de condities zijn allesbehalve idyllisch: met 6 of 8 op een kamer, karig voedsel, weinig info, wachten tot er een plaats vrijkomt in de opvang. Gelukkig komt Klaartje Ory van BON 3 maal per week de jongeren ophalen voor een activiteit.

  • In die periode opent De Oever een leefgroep voor NBM in Genk, Fonto Nova.
  • Cirkant vzw (Turnhout) en Minor-Ndako krijgen middelen van het Europees Vluchtelingenfonds om AMA’s met een erkenning te begeleiden bij de overgang naar zelfstandig wonen.
  • (Maar de Lier en de Bilck van Ons Tehuis worden gesloten).

In 2014 maken we de overgang van Bijzondere Jeugdzorg naar Integrale Jeugdhulp. De Dienstnota van 2006 vervalt. Iedere voogd of opvangmedewerker kan een jongere aanmelden voor Integrale Jeugdhulp via de ‘brede instap’.

In 2015-’16 is er opnieuw een opvangcrisis. Een lange rij vluchtelingen stapt van Turkije naar het Westen. Daarbij ook heel wat heel jonge niet-begeleide minderjarigen.

  • Minor-Ndako wil er zijn voor de meest kwetsbare NBM en probeert zo veel mogelijk plaatsen vrij te maken. Op enkele maanden tijd worden 35 NBM jonger dan 14 opgevangen. Leefgroep Primo wordt een leefgroep voor jonge kinderen (7-14 jaar). In 2016 komt er nog een tweede leefgroep bij voor die jongste groep (Junior). Door afspraken met Agentschap Opgroeien is onmiddellijke opname mogelijk op basis van leeftijd en ongeacht het statuut.
  • Ook in 2016 komt er een conventie tussen Fedasil en Opgroeien met betrekking tot 145 opvangplaatsen voor NBM. De Franse Gemeenschap sluit een gelijkaardige overeenkomst af voor 120 plaatsen, maar met andere opnameregels. De opvang gebeurt telkens bij voorzieningen van Jeugdhulp.
  • Hetzelfde jaar eindigt Lisanga (het EVF-project van Minor-Ndako voor begeleiding naar zelfstandig wonen van NBM – erkende vluchtelingen). Maar Opgroeien biedt een opvolger: 100 rechtstreeks toegankelijke begeleidingsplaatsen voor jongeren met een wettig verblijf, verdeeld over De Oever, Joba (nu deel van vzw De Kiosk) en Minor-Ndako.

Sinds de jaren ’90 is de verhouding tussen de federale opvang en de jeugdhulp geëvolueerd. De stellingenoorlog over asielzoekers versus niet-asielzoekers heeft plaats gemaakt voor een voorzichtige en voorwaardelijke samenwerking.

We zien dat het federale overheid zich steeds meer engageert voor niet-asielzoekers. Sinds 2022 worden ‘NBM op doorreis’ opgevangen door Samu-Social met federale middelen. In 2025 start Samu-Social een ander opvangproject voor ‘Maghrebijnse zwerfjongeren’, ook met federale middelen.

Zwerfjongeren? Dakloze minderjarigen, een leven gekenmerkt door druggebruik en criminaliteit, is dat niet bij uitstek een ‘problematische opvoedingssituatie’?  Die jongeren worden al sinds 1999 aangetroffen in alle grote steden van het land (niet enkel Brussel) en zijn vaste klant bij de Gemeenschapsinstellingen. Het engagement van de Gemeenschappen is gegroeid, maar blijft toch heel erg met de rem op.

Na jaren van groei lijken we nu af te stevenen op afbraak. Een concreet plan is de afbouw van de LOI. Daarmee valt een belangrijke tussenstap tussen opvang en zelfstandig wonen weg. Adolescente NBM met een wettig verblijf zijn een risicogroep voor thuisloosheid: anderstalig, nieuwkomer, nooit een maandbudget beheerd, geen ervaring met zelfstandig wonen, laat staan in een complexe samenleving als de onze.  De vraag naar hulpverlening is vele malen groter dan het aanbod.

Vandaag zijn meer jeugdhulpvoorzieningen aan de slag met NBM dan ooit tevoren. Dat is een goede zaak maar blijft een uitdaging. Andere talen en culturen, de verschillende verblijfsstatuten met elk hun eigen mogelijkheden en beperkingen, dat brengt een grote complexiteit mee.  De samenleving zelf wordt meer divers. De ervaring die we opdoen bij het werken met NBM, die kennis en knowhow zijn meer dan ooit nuttig en nodig in de Jeugdhulp en het maatschappelijk werk.

Dit artikel focust op de ontwikkeling rond NBM in de Jeugdhulp en op de verhouding Federaal – Gemeenschappen. Het staat te weinig stil bij de ontwikkeling van de federale opvang en doet geen recht aan het werk van alle medewerkers van Fedasil en partnerorganisaties. Die hebben samen het gros van de NBM opgevangen en dit in (materieel, organisatorisch, personeelskader, …) veel moeilijker omstandigheden dan in Jeugdhulp het geval is.